Uitlatingen in Radar reportage niet onrechtmatig

Categorie: IE-recht

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft recent uitspraak gedaan over de vraag of Radar onrechtmatige uitlatingen deed over een schildersbedrijf in een reportage. Het gaat hier om een botsing van fundamentele rechten; het recht op vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op eerbiediging van de goede naam anderzijds.

Casus Radar rapportage, wat was er aan de hand?

Radar heeft een reportage van zo’n 7 minuten gewijd aan het schildersbedrijf uitgezonden. In de reportage staat een klacht van een particuliere opdrachtgever van het schildersbedrijf over de handelwijze van het bedrijf centraal.

Volgens het schildersbedrijf heeft Radar onrechtmatig gehandeld door in de reportage bepaalde onjuiste uitlatingen te doen en is een onjuist, negatief en beschadigend beeld over het schildersbedrijf ontstaan. Het ging o.a. om de uitingen “een schildersbedrijf waar we heel wat klachten over hebben ontvangen”, “Wat een .. uh, chantage?” en dat “offertes uiteindelijk in de basis altijd 2 à 3 keer duurder uitvallen”. Daarnaast stelt het bedrijf dat de reportage eenzijdig en tendentieus is omdat niet alle door haar verstrekte informatie in de reportage naar voren komt.

Vrijheid van meningsuiting vs. Recht op bescherming van de goede naam

In deze zaak gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Aan de zijde van het schildersbedrijf  het recht op eerbiediging van de goede naam. Aan de zijde van Radar het recht op vrijheid van meningsuiting. Het recht op vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en in artikel 8 EVRM is het recht op eerbiediging van een aantal persoonlijkheidsrechten vastgelegd, waaronder het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van eer en goede naam.

Beide rechten zijn echter niet onbegrensd. Artikel 10 lid 2 EVRM bepaalt dat vrijheid van meningsuiting kan worden ingeperkt door (onder meer) de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Het schenden van een in artikel 8 EVRM opgenomen persoonlijkheidsrecht kan – via artikel 6:162 BW betekenen dat een uitlating onrechtmatig is. In procedures waarin de rechtmatigheid van een publicatie ter discussie staat, dient  een afweging te worden gemaakt tussen beide grondrechten.

Belangenafweging

Het is vaste rechtspraak dat de fundamentele rechten op vrijheid van meningsuiting en eerbiediging van de eer en de goede naam in beginsel gelijkwaardig zijn. Het is niet zo dat het ene recht in het algemeen zwaarder weegt dan het andere recht. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt (en dus of al dan niet sprake is van een onrechtmatige daad), moet worden gevonden door een afweging van alle omstandigheden van het geval.

Uit de rechtspraak volgt dat bij de afweging of een uitlating of publicatie onrechtmatig is onder andere de volgende omstandigheden relevant zijn:

  • (a) of de gepubliceerde uitlatingen verstrekkende en schadelijke gevolgen hebben voor de betrokkene;
  • (b) de ernst — bezien vanuit het algemeen belang — van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen; denk bijvoorbeeld een (onderzoeks)journalisten die fraude en oplichting aan het licht brengen;
  • (c) de mate waarin de publicatie wordt onderbouwd met feiten;
  • (d) de wijze waarop de uitlatingen worden gedaan zijn relevant. Als iets wordt gepresenteerd als mening is dat minder snel onrechtmatig. Dit betekent niet dat er onnodig beledigd mag worden;
  • (e) of -als het gaat om iets aan de kaak te stellen in het algemeen belang- dat ook voor de betrokkene  via minder schadelijke wegen bereikt had kunnen worden;
  • (f) een antwoord op de vraag of de verdenking anders toch in de pers was gekomen;
  • (g) er wordt ook rekening gehouden met de bekendheid van de betrokkene. Van een bekend figuur is kan verlangd worden dat hij ‘een dikkere huid’ heeft;
  • (h) de vraag of de nieuwsbron de betrokkene de gelegenheid heeft geboden om op de beweringen te reageren. Zo ja, dan is dit een indicatie voor rechtmatigheid van de publicatie;
  • (i) de vraag of de betrokkene eerst zelf naar de publiciteit heeft gezocht. Zo ja, dan staat hij minder sterk.

Dit zijn voorbeelden van omstandigheden. Deze wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

De beslissing

Voor de voorzieningenrechter telt in deze zaak bij de belangenafweging zwaar mee dat de  uitlatingen van Radar voldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Sommige van door Radar gebruikte woorden zijn weliswaar minder zorgvuldig gekozen, maar daarmee nog niet onrechtmatig. Daarbij geldt bovendien -aldus de voorzieningenrechter- dat men in het kader van de uitingsvrijheid best mag overdrijven. De voorzieningenrechter betrekt ook overige relevante omstandigheden. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze onvoldoende zijn om te oordelen dat de reportage onrechtmatig is jegens het schildersbedrijf. Radar heeft dus niet onrechtmatig gehandeld.

Conclusie

Tegen een uiting of publicatie kan in rechte op worden getreden. De vrijheid van meningsuiting kent grenzen. In sommige gevallen kan dit recht worden beperkt door iemands recht op bescherming van zijn goede naam. Bij de beoordeling of een publicatie of uiting wel of niet geoorloofd is, moeten de feiten, omstandigheden en factoren tegen elkaar afgewogen moeten worden. Per uitlating of publicatie moet dus bekeken worden of deze onrechtmatig is. Heb jij vragen over dit onderwerp? Neem dan contact met ons op.


Terug naar overzicht
Erwin Maizara
mr. E. (Erwin) Mazaira Advocaat