Interne bestuurdersaansprakelijkheid
De wettelijke norm waarop de interne aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen doorgaans wordt gebaseerd is opgenomen in artikel 2:9 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Wat als onbehoorlijke taakvervulling (onbehoorlijk bestuur) heeft te gelden verschilt van geval tot geval, maar aan de bestuurder(s) moet in ieder geval een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt.
Wat zijn voorbeelden van onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder?
- Het ondergeschikt maken van het belang van de vennootschap aan het eigen belang van de bestuurder;
- Het onbevoegd verbinden van de vennootschap aan een overeenkomst met een derde;
- Het nemen van ingrijpende besluiten zonder deugdelijke voorbereiding of onderzoek; en
- Het handelen in strijd met de wet of de statuten.
Wat hierbij belangrijk is om te weten
Elke bestuurder draagt de verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken en is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur. De aansprakelijkheid van artikel 2:9 BW is dan ook een collectieve aansprakelijkheidsvorm. Een individuele bestuurder kan zich bevrijden van deze aansprakelijkheid indien hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement
De curator, optredend namens de boedel in het belang van de gezamenlijke schuldeisers, kan een bestuurder van een failliete BV aansprakelijk stellen op grond van artikel 2:248 BW. De norm van artikel 2:248 BW houdt in dat alle bestuurders aansprakelijk zijn voor het boedeltekort (het totaal van de schulden die niet uit de overige baten kunnen worden voldaan), in het geval de curator kan aantonen dat het faillissement in belangrijke mate is veroorzaakt door kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door een of meer bestuurders van de BV. Ook deze vorm van aansprakelijkheid betreft derhalve een collectieve en ook hier geldt dat een individuele bestuurder zich van aansprakelijkheid kan proberen te bevrijden.
De wet helpt de curator met een bewijsvermoeden. Heeft het bestuur niet voldaan aan de administratieplicht (artikel 2:10 BW) of is de jaarrekening niet tijdig gedeponeerd (artikel 2:394 BW)? Dan staat vast dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder staat dan op achterstand. Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen.